Burgerlijk Wetboek
Art. 1475
§ 1. Onder « wettelijke samenwoning » wordt
verstaan de toestand van samenleven van twee personen die
een verklaring hebben afgelegd overeenkomstig artikel 1746.
§ 2. Om een verklaring van wettelijke samenwoning te
kunnen afleggen, moeten beide partijen voldoen aan de volgende
voorwaarden:
- niet verbonden zijn door een huwelijk of door een andere
wettelijke samenwoning;
- bekwaam zijn om contracten aan te gaan overeenkomstig
de artikelen 1123 en 1124.

Art. 1476
§ 1. Een verklaring van wettelijke samenwoning wordt
afgelegd door middel van een geschrift dat tegen ontvangstbewijs
wordt overhandigd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand
van de gemeenschappelijke woonplaats. Dat geschrift bevat
de volgende gegevens:
- 1° de datum van de verklaring;
- 2° de naam, de voornamen, de plaats en de datum van
geboorte en de handtekening van beide partijen;
- 3° de gemeenschappelijke woonplaats;
- 4° de vermelding van de wil van beide partijen om
wettelijk samen te wonen;
- 5° de vermelding van beide partijen vooraf kennis
hebben genomen van de inhoud van de artikelen 1475 tot 1479;
- 6° in voorkomend geval, de vermelding van de overeenkomst
die is bedoeld in artikel 1478, die de partijen hebben gesloten.
De ambtenaar van de burgerlijke stand gaat na of beide partijen
voldoen aan de wettelijke voorwaarden inzake de wettelijke
samenwoning en maakt in voorkomend geval melding van de
verklaring in het bevolkingsregister.
§ 2. De wettelijke samenwoning houdt op wanneer een
van de partijen in het huwelijk treedt of overlijdt, of wanneer
er een einde aan wordt gemaakt overeenkomstig het bepaalde
in deze paragraaf.
De wettelijke samenwoning kan worden beëindigd hetzij
in onderlinge overeenstemming door de samenwonenden door middel
van een schriftelijke verklaring die tegen ontvangstbewijs
wordt overhandigd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand,
zoals bepaald in het volgende lid. Dit geschrift bevat de
volgende gegevens:
- 1° de datum van verklaring;
- 2° de naam, de voornamen, de plaats en de datum van
geboorte van beide partijen en de handtekening van beide
partijen of van de partij die de verklaring aflegt;
- 3° de woonplaats van beide partijen;
- 4° de vermelding van de wil de wettelijke samenwoning
te beëindigen.
De verklaring van de beëindiging in onderlinge overeenstemming
wordt overhandigd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand
van de gemeente van de woonplaats van beide partijen of, indien
de partijen geen woonplaats hebben in dezelfde gemeente, aan
de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente van
de woonplaats van één van hen. In dat geval
geeft de ambtenaar van de burgerlijke stand kennis van de
beëindiging binnen acht dagen bij aangetekende brief
aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente
van de woonplaats van de ander partij.
De eenzijdige verklaring van de beëindiging wordt overhandigd
aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente
van de woonplaats van beide partijen of, indien de partijen
geen woonplaats hebben in dezelfde gemeente, aan de ambtenaar
van de burgerlijke stand van de woonplaats van de partij die
de verklaring aflegt.
De ambtenaar van de burgerlijke stand betekent binnen acht
dagen de beëindiging bij gerechtsdeurwaardersexploot
aan de andere partij en in voorkomend geval geeft hij er kennis
van bij aangetekende brief binnen dezelfde termijn aan de
ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente van de
woonplaats van de andere partij.
In elk geval moeten de kosten van de betekening en de kennisgeving
vooraf worden betaald door hen die de verklaring afleggen.
De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt melding van de
beëindiging van de wettelijke samenwoning in het bevolkingsregister.

Art. 1477
§ 1. De bepalingen van dit artikel die de rechten, verplichtingen
en bevoegdheden van de wettelijke samenwonenden regelen, zijn
van toepassing door het enkele feit van de wettelijke samenwoning.
§ 2. De artikel 215, 220, § 1 en 224, § 1,
1, zijn van overeenkomstig toepassing op de wettelijke samenwoning.
§ 3. De wettelijke samenwonenden dragen bij in de lasten
van het samenleven naar evenredigheid van hun mogelijkheden.
§ 4. Iedere schuld die door een der wettelijk samenwonenden
wordt aangegaan ten behoeve van het samenleven en van de kinderen
die door hen opgevoed worden, verbindt de andere samenwonenden
hoofdelijk. Deze is echter niet aansprakelijk voor schulden
die, gelet op de bestaansmiddelen van de samenwonenden, buitensporig
zijn.

Art. 1478
Elk van de wettelijke samenwonenden behoudt de goederen waarvan
hij de eigendom kan bewijzen, de inkomsten uit deze goederen
en de opbrengsten uit arbeid. De goederen waarvan geen van
beide wettelijk samenwonenden de eigendom kan bewijzen en
de inkomsten daarvan worden geacht in onverdeeldheid te zijn.
Indien de overlevende wettelijke samenwonende een erfgenaam
is van de vooroverledene, wordt de in het vorige lid bedoelde
onverdeeldheid ten aanzien van de erfgenamen met voorbehouden
erfdeel als een schenking beschouwd, behoudens tegenbewijs.
Voorts regelen de samenwonenden hun wettelijke samenwoning
naar goeddunken door middel van een overeenkomst, voor zover
deze geen beding bevat dat strijdig is met artikel 1477, met
de openbare orde of de goede zeden, noch met de regels betreffende
het ouderlijk gezag en de voogdij, noch met de regels die
de wettelijke orde van de erfopvolging bepalen. De overeenkomst
wordt in authentieke vorm verleden voor de notaris en wordt
vermeld in het bevolkingsregister.

Art. 1479
Indien de verstandhouding tussen de wettelijk samenwonenden
ernstig verstoord is, beveelt de vrederechter, op verzoek
van één van de partijen, de dringende en voorlopige
maatregelen betreffende het betrekken van de gemeenschappelijke
verblijfplaats, betreffende de persoon en de goederen van
de samenwonenden en van de kinderen alsmede betreffende de
wettelijke en contractuele verplichtingen van beide samenwonenden.
De vrederechter bepaalt de geldigheidsduur van de maatregelen
die hij oplegt. Hoe dan ook vervallen die maatregelen op de
dag dat de wettelijke samenwoning, zoals bedoeld in artikel
1476, § 2, zesde lid, wordt beëindigd.
Na de beëindiging van de wettelijke samenwoning en voor
zover de vordering binnen drie maanden na die beëindiging
is ingesteld, gelast de vrederechter de dringende en voorlopige
maatregelen die ingevolge de beëindiging gerechtvaardigd
zijn. De vrederechter bepaalt de geldigheidsduur van de maatregelen
die hij oplegt. Die geldigheidsduur mag niet langer dan één
jaar bedragen.
De vrederechter beschikt overeenkomstig de bepalingen van
de artikelen 1253ter tot 1253octies van het Gerechtelijk Wetboek.
|