| Op kerkelijk gebied ontstond, nog vóór
de Karolingische tijd, uit de vroege Tongerse christenheid,
een zelfstandige moederparochie Hoeselt, die later het ontstaan
gaf aan 7 afhankelijke kerken: Sint-Huibrechts-Hern, Vliermaal,
Beverst, Romershoven, Schalkhoven, Werm en Althoeselt. In
1066 werd de parochie Hoeselt, met al haar afhankelijkheden,
door prinsbisschop Theoduinus van Luik geschonken aan het
kapittel van de O.L.Vrouwkerk van Hoei.
Als dusdanig werden de kapittelheren van Hoei de grote tiendenaars
in Hoeselt, alhoewel het kapittel van de O.L.Vrouwkerk van
Tongeren nog tiendenaar bleef op de oudst ontgonnen gronden
van Hoeselt. Vliermaal en Sint-Huibrechts-Hern verwierven
rond 1250 een betrekkelijke zelfstandigheid. De overige parochies
verwierven pas in de dertiger jaren van de 19de eeuw hun onafhankelijkheid.
Hoeselt was een deel van het koninklijk Frankisch fiscus-
of kroongebied, dat vrij spoedig een vrijgemaakt kerkelijk
leen was, onder het directe bestuur van de prinsbisschop van
Luik. Het centrum van de gemeente toont nog sporen van dit
oude Frankische dorp: een driehoekig dorpsplein, met daarrond
de woningen; een motheuvel, overblijfsel van de versterkte
woning van de plaatselijke heer, uit de tiende eeuw; rondom,
en hoofdzakelijk op de zuidgerichte hellingen, de oudste ontgonnen
en vruchtbaarste akkers van de dorpsgemeenschap. De verder
van het centrum gelegen bossen werden ontgonnen en in cultuur
gebracht in de 12de en de vroege 13de eeuw. Alhoewel Hoeselt
in de 13de eeuw, en dit tot de opslorping van Loon door Luik
in 1323, onder voogdij viel van de Graven van Loon, bleef
het Luiks territorium en was er het Luiks recht van toepassing.
De goederen en de rechten die de prinsbisschop in Hoeselt
bezat, werden vanouds beheerd vanuit de Kellerij door een
Kelleneer.
Hoeselt was opgedeeld in 8 kwartieren: Dorp, Gansteren, Cruys
& Hombrouck, Neroy, Crieckendael, Buckinxlinde, Althoeselt-Dorp
en Althoeselt-Brouck, waarover ieder jaar een dorpsmeester
of burgemeester werd aangesteld.
In 1619 verpandde de prinsbisschop Ferdinand van Beieren
de heerlijkheid Hoeselt aan de landcommanderij van Aldenbiesen.
Achtereenvolgens voerden Edmond Huyn van Amstenraedt, Godfried
Huyn van Amstenraedt van Geleen en Edmond Godfried von Bocholtz
de titel Heer van Hoeselt. In 1683 nam het Sint-Lambertuskapittel
van Luik de heerlijkheid terug aan zich en benoemde kanunnik
Bernard Guillaume de Hinnisdael tot tijdelijk Heer van Hoeselt.
In 1706 kocht Willem-Gerard Moffarts de titel Heer van Hoeselt
met al de heerlijke rechten er aan verbonden. De familie de
Moffarts bleef deze functie ook uitoefenen tot aan de Franse
Revolutie.

|