Vrijhern

Ten noorden van de kristenheid Tongeren en op korte afstand van Sint-Huibrechts-Hern, vroegmiddeleeuwse bedevaartplaats ter ere van de H. Hubertus, ligt sinds onheuglijke tijden een afgezonderde woonwijk, reeds in 1267 Vriherne geheten.

Samen met Tongeren en Hoeselt lag Vrijhern in een kerkelijke enclave, midden de grenszone tussen het graafschap Loon en het Land van Luik. Van oudsher werd de zielzorg van de weinige inwoners waargenomen door de priesters der kwartkapel van Riksingen, in 1036 opgericht als ‘dochterkerk’ van het Onze-Lieve-Vrouwkapittel van Tongeren.

De bedienaars van de kerk van Riksingen woonden tot op het einde van de 18de eeuw meestal te Tongeren, hetgeen de plaatselijke ‘zielzorg’ niet ten goede kwam. Voor burgerlijke aangelegenheden was de bevolking aangewezen op de schepenbank van Tongeren en het hoofdgerecht van Luik.

Sinds de vroege evangelisatie van de streek rond Tongeren werden de plaatselijke bossen geleidelijk gerooid. Verschillende woonkernen en landbouwgronden vervingen vroeere bossen: Henis, Riksingen, Neerrepen, Sint-Huibrechts-Hern, Hardelingen, Vrijhern, enz.
In 1580 lagen, in een halve boog op de westerrand van de Vrijhernse bossen, een tiental hoevekens. De wijk Vrijhern lag ingesloten tussen drie wegen. Ze lag in een diepe terreininzinking, ten westen van de vroegmiddeleeuwse vaarweg, wellicht oorspronkelijk een Gallo-Romeins deverticulum of heerweg, die Tongeren verbond met Nijmegen, over Hoeselt, Munsterbilzen, As, enz. Langs drie andere zijden werd Vrijhern omzoomd door twee minder belangrijke veldwegen –o.a. Biesenweg- die Vrijhern veronden met Sint-Huibrechts- Hern en Riksingen. Vrijhern was toen een bescheiden en onopvallende woonwijk. Een hoge en langgerekte zandberm, inmiddels afgegraven, belette het vrij uitzicht vanop de heerweg naar het Vrijhernse bos en de verder afgelegen hoevekens. Er waren in de 17de eeuw slechts twee oriëntatiepunten die de voorbijganger erop konden attent maken dat hij zicht bevond ter hoogte van Vrijhern: eeuwenlang stond daar een eenzame tumulus en een beetje meer zuidwaarts, een kleine bidkapel, in de tweede helft van de 17de eeuw opgericht. Hier wordt de H. Anna vereerd. Dit gebouwtje, nu mooi gerestaureerd, wordt overschaduwd door vier oude lindebomen. Het heuveltje waarop het gebouwd werd, is het laatste overblijfsel van de vroegere hoge zandberm die werd afgegraven. Even buiten Vrijhern, bij het kruispunt aan de Metser, lag aan de overzijde van de heerweg een uitgestrekte Gallo-Romeinse begraafplaats, die in de 19de eeuw herontdekt werd door de heer Huybrehts; hiervan is evenwel geen spoor overgebleven.

In dit landelijk natuurkader moet de kluisgeschiedenis van Vrijhern geplaatst worden. Hier vestigde zich, op een totaal onopvallende manier, omstreeks 1677 een kluizenaar, broeder Geurt van Elst, na gedurende een negental jaren als eremiet te hebben gewoond in het naburige Riksingen. Nooit heeft hij kunnen vermoeden dat, na zijn dood, zijn schamele en in 1703 verwoeste kluishut het begin zou worden van de befaamde Eremitagie van Onze-Lieve-Vrouw van Loreto, die sinds 1709 doorheen allerlei wisselvalligheden tot op onze dagen in licht gewijzigde vorm is bewaard en bewoond gebleven.